="http://www.w3.org/2000/svg" viewBox="0 0 512 512">

6 Hoofdstuk 6: Beroepsprofiel en basiscompetenties

→ Doelen

→ Bronnen

 

De ideale leraar lager onderwijs? Daar heeft iedereen zo zijn eigen mening over. De hedendaagse leraar in Vlaanderen wordt niet meer gezien als alleen maar een ‘lesgever’. Wat zijn dan de taken die een leraar lager onderwijs vervult en welke vaardigheden en kennis heeft hij daarvoor nodig?

 

 

1 Beroepsprofiel: Wat moet een leraar lager onderwijs allemaal kennen, kunnen en zijn?

 

 

Volgens het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing is in Vlaanderen de overheid verantwoordelijk voor het opstellen van een beroepsprofiel en basiscompetenties – op voorstel van de Entiteit Curriculum en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor).

Het beroepsprofiel geeft aan welke eisen onderwijs en maatschappij stellen aan leraars. Het omschrijft de kennis, vaardigheden en attitudes van de ervaren leraar bij zijn beroepsuitoefening. Men heeft zich hiervoor gebaseerd op wetenschappelijk werk en op internationale vergelijkingen. Het beroepsprofiel beschrijft eigenlijk de minimale kwaliteitscriteria. Het geeft aan ouders en externen een beeld van wat zij mogen verwachten van leerkrachten. Het weerspiegelt dus het ideaalbeeld dat de overheid, als vertegenwoordiger van de maatschappij, heeft over de manier waarop ervaren leraars functioneren. Het wil aanzetten tot onderwijsinnovatie.

Het is logisch dat de visie achter het beroepsprofiel aansluit bij de visie van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, de streef- en einddoelen (of m.a.w. kwaliteitscriteria) voor de basisschool. De overheid gaat daarvoor uit van een emancipatorische en leerlinggerichte onderwijsvisie waarin het begeleiden van en zorg geven aan kinderen centraal staat. Jongeren moeten opgevoed worden tot verantwoordelijkheid, mondigheid, zelfrealisatie en kritische zin en dit binnen een democratische samenleving met ontplooiingskansen voor iedereen. Het gaat hier dus om emancipatie in relatie tot anderen.

 


2 Basiscompetenties leraar lager onderwijs

 

 

Uiteraard is niet elke leraar meteen ervaren. Daarom omschrijven de basiscompetenties de kennis, vaardigheden en attitudes waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnende leraar te kunnen functioneren. Ze geven de startcompetentie van een net gediplomeerde leraar aan. Door een onderscheid te maken tussen het beroepsprofiel en de basiscompetenties onderstreept men het uitgangspunt dat een startende leraar nog verder doorgroeit en dat hij hiertoe kansen moet krijgen. ‘Leraar zijn’ is een proces van levenslang leren. Om in het beroep te stappen heeft een beginnende leraar basiscompetenties nodig. Door middel van verdere professionalisering, nascholing, begeleiding, zelfstudie, kortom permanente vorming zal de beginnende leraar doorgroeien naar wat zijn beroepsprofiel van hem eist. De basiscompetenties worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel maar omvatten gemeenschappelijke (voor alle leraarstypes geldende) en specifieke vereisten. De Entiteit Curriculum maakte voor elk leraarstype (de leraar kleuter onderwijs, de leraar lager onderwijs en de leraar secundair onderwijs) specifieke basiscompetenties.

Het beroepsprofiel en de basiscompetenties omvatten drie clusters van verantwoordelijkheden van de leraar: t.a.v. de lerende, t.a.v. de school en onderwijsgemeenschap en t.a.v. de maatschappij.  Binnen deze drie domeinen worden 10 typefuncties of rollen onderscheiden die deze verantwoordelijkheden concretiseren. Per typefunctie staan verscheidene vaardigheden geformuleerd (met telkens een omschrijving van de vereiste kennis). De typefuncties vullen elkaar aan. Een leerkracht zal de verschillende rollen ook tegelijkertijd uitvoeren: er is samenhang en wisselwerking[1]. Acht beroepshoudingen ondersteunen de vaardigheden. Goed onderwijs wordt  gedragen door de ‘persoon’ van de leerkracht. Door het opnemen van deze beroepshoudingen of attitudes wordt aangegeven dat hieraan veel belang wordt gehecht.

In de visie van het beroepsprofiel (en dus ook van de basiscompetenties) staan verantwoordelijkheid en zelfontplooiing centraal. Leerkrachten zijn geen slaafse uitvoerders van opgelegde programma’s of handboeken maar geven vanuit een visie op onderwijs, samen met collega’s, het pedagogisch project van de school mee vorm. De verwachtingen vanuit de overheid zullen naargelang de klas- en  schoolcontext een specifieke invulling krijgen. Leraren krijgen ruimte om daarin creatief te zijn, vanuit een vertrouwen in hun deskundigheid. Hiervoor moet een leerkracht voldoen aan twee voorwaarden: een reflectieve, onderzoekende houding tonen en zich willen verantwoorden naar leerlingen, ouders, collega’s en directie en externen door zijn pedagogisch-didactische aanpak bespreekbaar te maken.

beroepsprofiel
Verantwoordelijkheidsdomeinen

 

 

3 Beroepsprofiel als werkinstrument

 

 

Het beroepsprofiel is een ‘standaard’ die scholen kunnen gebruiken om de kwaliteit van hun onderwijs in beeld te brengen. Het is een middel om te toetsen hoe ze zich als school positioneren ten aanzien van dit ideaalbeeld. Ze kunnen hiermee leraren evalueren (de sterke punten van een leerkracht en team nagaan en onderzoeken waar bijsturing vereist is) of leerkrachten stimuleren tot zelfevaluering. Het beroepsprofiel is immers het streefmodel voor de beroepsontwikkeling van iedere leerkracht. Het is een werkinstrument om de kwaliteit van onderwijs te waarborgen. De bijsturing van het beroepsprofiel na 10 jaar – in 2007  werd een aangepast beroepsprofiel goedgekeurd – toont aan dat de leerkracht moet inspelen op veranderingen in verwachtingen en taken vanuit de maatschappij.

De basiscompetenties vormen ook een fundamenteel uitgangspunt voor de nieuwe lerarenopleiding. De opleiding moet ervoor zorgen dat elke afgestudeerde deze basiscompetenties bezit. Ze omvatten het strikte minimum dat je als leraar zou moeten bezitten wanneer je begint les te geven. Elke lerarenopleiding bouwt op basis van de basiscompetenties een opleidingsprofiel. Hierin staat vermeld hoe deze opleiding ervoor zal zorgen dat de basiscompetenties bereikt worden. Nog concreter geven de ECTS-fiches van elk opleidingsonderdeel een duidelijk overzicht van hun aandeel in het opleidingsprofiel. De taak van het opleidingsinstituut wordt daarna, in het kader van levenslang leren, verder opgenomen door pedagogische begeleiders en nascholingsinstituten. Ook onze hogeschool verzorgt een nascholingsaanbod voor (afgestudeerde) leerkrachten.

 

 

4 Basiscompetenties voor de leraar lager onderwijs

 

 

Functioneel geheel 1: De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

Vaardigheid 1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de kinderen en de leerlingengroep achterhalen

De leraar kan:

  • 1.1.1 in overleg met teamleden of externen, zowel individuele kindkenmerken als kenmerken van de groep achterhalen die van invloed kunnen zijn op leren en onderwijzen;
  • 1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de kinderen en de leerlingengroep en werkwijzen om die te achterhalen.

 

Vaardigheid 1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren .

De leerkracht kan:

  • 1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan en het schoolwerkplan;
  • 1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep;
  • 1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen, leerlijnen in leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
  • 1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan;
  • 1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen, expliciteren;
  • 1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;
  • 1.2.7 voor leerlingen met specifieke behoeften, in overleg met collega’s, in het kader van de handelingsplanning, doelen selecteren die aansluiten bij de vastgestelde beginsituatie.

De ondersteunende kennis omvat de eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de krachtlijnen van het leerplan in kwestie, het concept schoolwerkplan en het proces van handelingsplanning, evenals de techniek van formulering van doelstellingen.

Vaardigheid 1.3 De leerkracht kan leerinhouden/leerervaringen selecteren.

De leraar kan:

  • 1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod (doelen en inhouden), rekening houdend met de beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis
  • 1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen
  • 1.3.3 voor leerlingen met specifieke behoeften, in het kader van het leerzorgbeleid en de handelingsplanning, leerinhouden en -ervaringen afstemmen op het realiseren van de vooropgestelde doelen door te differentiëren, te remediëren, te compenseren en te dispenseren.

De ondersteunende kennis omvat inzicht in de leerinhouden, kennis van de krachtlijnen van het betrokken leerplan en kennis van geschikte informatiebronnen over de leerinhouden, onder meer leerboeken.

Vaardigheid 1.4 De leerkrach kan de leerinhouden/leerervaringen structureren en vertalen in onderwijsaanbod.

De leraar kan:

  • 1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, thema’s en projecten
  • 1.4.2 kan het verband leggen tussen leerstofonderdelen en tussen leergebieden, zowel horizontaal als verticaal
  • 1.4.3 leerinhouden/leerervaringen vertalen in zinvolle opdrachten die aansluiten bij de leefwereld en motivatie van de kinderen, daarbij gebruik makend van de sociale en culturele diversiteit binnen de groep

De ondersteunende kennis omvat vormen van ordening zoals cursorische, exemplarische en concentrische ordening. Ze omvat eveneens de inhoudelijke opbouw van en verwantschap tussen de verschillende leergebieden, kennis over soorten opdrachten en taken en praktijkvoorbeelden van omgaan met meertaligheid.

 

Vaardigheid 1.5 De leerkracht kan een aangepaste werkvorm en groeperingsvormen bepalen.

De leraar kan:

  • 1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
  • 1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen
  • 1.5.3 multimedia functioneel gebruiken
  • 1.5.4 zijn aanpak differentiëren waar dit nodig is

De ondersteunende kennis omvat diverse werkvormen en combinaties daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met een gedifferentieerde aanpak en met een kritisch gebruik van multimediale mogelijkheden.

 

Vaardigheid 1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en aanpassen

De leraar kan:

  • 1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen, rekening houdend met de specifieke noden en kenmerken van de doelgroep
  • 1.6.3 indien nodig, de leermiddelen aanpassen

De ondersteunende kennis omvat relevante bronnen om geschikte leermiddelen te vinden, evenals criteria om ze te beoordelen

 

Vaardigheid 1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.

De leerkracht kan:

  • 1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving inhouden;
  • 1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
  • 1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
  • 1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
  • 1.7.5 adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen;
  • 1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
  • 1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.

De ondersteunende kennis omvat implicaties van diversiteit en de kenmerken van een krachtige leeromgeving, alsook van de rol van een aangepast taalgebruik daarin.

 

Vaardigheid 1.8 De leerkracht kan observatie/evaluatie voorbereiden

De leerkracht kan:

  • 1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in diverse vormen kiezen en opstellen;
  • 1.8.2 individueel en in overleg met collega’s eenvoudige observatie-instrumenten kiezen;
  • 1.8.3 de betekenis en plaats van evaluatievormen in het leerproces bepalen;
  • 1.8.4 met ondersteuning beoordelingscriteria bepalen om de vorderingen van de leerling te beoordelen.

De ondersteunende kennis omvat evaluatietechnieken en -instrumenten, kindvolg-systemen, de signaalwaarde van gedragingen en een visie op evaluatie als ondersteuning voor het leerproces.

 

Vaardigheid 1.9  De leerkracht kan observeren en het proces en product evalueren met het oog op bijsturing, remediëring en differentiatie.

De leerkracht kan:

  • 1.9.1 op permanente en systematische wijze gegevens verzamelen over het leer- en ontwikkelingsproces van de leerling, via toetsen, observaties, zelfevaluatiegegevens van de lerende en via gesprekken;
  • 1.9.2 met het oog op een systematische gegevensverzameling met hulp van collega’s een kindvolgsysteem gebruiken;
  • 1.9.3 prestaties correct en objectief interpreteren en beoordelen;
  • 1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken;
  • 1.9.5 met de hulp van collega’s vorderingen beoordelen en adviezen geven over de voortgang van de leerlingen in hun schoolloopbaan;
  • 1.9.6 met de hulp van collega’s adviezen en activiteiten voor bijsturing en differentiatie voorstellen en ze zelf uitvoeren;
  • 1.9.7 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te evalueren en bij te stellen.

De ondersteunende kennis omvat (zelf)evaluatietechnieken en -instrumenten, kindvolg-systemen, de signaalwaarde van gedragingen, een visie op evaluatie met het oog op bijsturing en differentiatie, en de techniek van foutenanalyse. De ondersteunende kennis omvat tevens de structuur en werking van het voorafgaande en volgende onderwijsniveau, en van het buitengewoon onderwijs met het oog op (her)oriëntering en eventuele samenwerking.

 

Vaardigheid 1.10 De leerkracht kan in overleg met het team deelnemen aan zorgverbredingsinitiatieven en die laten aansluiten bij de totaalbenadering van de school.

De leerkracht kan:

  • 1.10.1 de school situeren in de buurt en de implicaties daarvan onderkennen;
  • 1.10.2 participeren in het zorg- en gelijkeonderwijskansenbeleid van de school.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de grootstedelijke context en van belangrijke beleidsmaatregelen inzake gelijke kansen en zorg.

 

Vaardigheid 1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met het taalbeheersingsniveau van de leerlingen.

De leerkracht kan:

  • 1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
  • 1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
  • 1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en herformuleren;
  • 1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
  • 1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
  • 1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;
  • 1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.

De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele situaties en methodieken voor taalondersteuning en taalgerichtheid in niet-taalvakken.

 

Vaardigheid 1.12 De leerkracht kan omgaan met de diversiteit van de groep.

De leerkracht kan:

  • 1.12.1 in het kader van het leerzorgbeleid en de handelingsplanning het onderwijsleerproces aanpassen aan de specifieke behoeften en de mogelijkheden; van de leerlingen door te differentiëren, te remediëren, te compenseren en te dispenseren
  • 1.12.2 rekening houden met de sociaal-culturele achtergrond van leerlingen waaronder de grootstedelijke context.

De ondersteunende kennis omvat de werking van het CLB en methoden en werkvormen voor leerlingen met leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden; het omvat tevens de kenmerken van de grootstedelijke context en van diverse leefculturen.

 

Vaardigheid 1.13 De leerkracht kan bijdragen aan het gevoelig maken en openstaan voor talen door aan talensensibilisering te doen.

De ondersteunende kennis omvat doelstellingen, methodieken en goede praktijkvoorbeelden van talensensibilisering.

 

Functioneel geheel 2: De leraar als opvoeder

Vaardigheid 2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.

De leerkracht kan:

  • 2.1.1 als teamlid meewerken aan het opbouwen van een positieve interactie met de leerlingen, waarbij hij ook de relatie tussen de leerlingen stimuleert en problemen in de groep bespreekbaar maakt;
  • 2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
  • 2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
  • 2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een groeibevorderende relatie met elke leerling.

De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen en de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor sociale vaardigheden; zij omvat tevens de kenmerken van sociale ontwikkeling bij kinderen.


Vaardigheid 2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.

De leerkracht kan:

  • 2.2.1 de eigenheid van het individuele kind en van de sociale en culturele groepen herkennen, bespreekbaar maken en ermee omgaan met het oog op zelfontplooiing en integratie van de leerlingen;
  • 2.2.2 het kind stimuleren tot mondigheid, zelfstandigheid, eigen initiatief en verantwoordelijkheid en participatie.

De ondersteunende kennis omvat kennis van sociale en culturele realiteiten van kinderen. Tevens omvat zij de kennis van het ontstaan van beeldvorming en vooroordelen en van het omgaan daarmee.

 

Vaardigheid 2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.

De leerkracht kan:

  • 2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren toepassen;
  • 2.3.2 in de klascontext waarden bespreekbaar maken en door voorbeeldgedrag stimulerend optreden, hierbij rekening houdend met het pedagogische project;
  • 2.3.3 de gerichtheid op participatie stimuleren.

De ondersteunende kennis omvat het pedagogische project, het schoolwerkplan, de van toepassing zijnde eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de verschijningsvormen van het verborgen curriculum en de morele ontwikkeling van kinderen.

 

Vaardigheid 2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.

De leerkracht kan:

  • 2.4.1 de vormingsinhouden koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen en tendensen;
  • 2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media.

De ondersteunende kennis omvat maatschappelijke thema’s en gebeurtenissen en de manier waarop die door de media worden vertolkt.

 

Vaardigheid 2.5 De leerkracht kan adequaat omgaan met leerlingen in sociaal-emotionele probleemsituaties en met leerlingen met gedragsmoeilijkheden.

De leerkracht kan:

  • 2.5.1 signalen van probleemgedrag herkennen, toetsen aan de ervaring van anderen en met de hulp van collega’s de hulpvraag van leerlingen expliciteren;
  • 2.5.2 onder begeleiding en in team op een planmatige wijze hulp bieden bij problemen, indien nodig samen met externen.

De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van sociaal-emotionele probleemsituaties, signaalgedrag bij kinderen, het ontstaan van probleemgedrag en mogelijke interventies en ondersteunende diensten, waaronder het CLB.

 

Vaardigheid 2.6 De leerkracht kan het fysieke en geestelijke welzijn van de leerlingen bevorderen.

De leerkracht kan:

  • 2.6.1 aandacht opbrengen voor het bevorderen van de gezondheid van leerlingen, en hij kan de fysieke ontplooiing en het bewustzijn dat gezondheid en veiligheid belangrijke waarden zijn, stimuleren;
  • 2.6.2 zorgen voor het algemeen lichamelijk welzijn van de leerlingen, en hij kan dringende verzorgingstaken uitvoeren;
  • 2.6.3 gepast omgaan met leerlingen met gezondheidsproblemen of fysieke beperkingen;
  • 2.6.4 zorg dragen voor het algemene welbevinden van de leerlingen.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van fysiek welzijn in het algemeen en van jonge kinderen in het bijzonder, en basisprincipes van eerstehulpverlening; zij omvat eveneens de basisinterventies bij frequent voorkomende gezondheidsproblemen.

 

Vaardigheid 2.7 De leerkracht kan strategieën inzetten om te communiceren met anderstalige leerlingen.

De ondersteunende kennis omvat de mogelijkheden die de communicatie met anderstalige kinderen kunnen vergemakkelijken.

 

 

Functioneel geheel 3: De leraar als inhoudelijk expert

Vaardigheid 3.1 De leerkracht beheerst de basiskennis van de leerinhouden, waaronder ten minste de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, en hij kan recente ontwikkelingen over inhouden en vaardigheden uit de leergebieden Frans, Lichamelijke Opvoeding, Muzische Vorming, Nederlands, Wereldoriëntatie en Wiskunde en de leergebiedoverschrijdende thema’s Leren Leren en Sociale Vaardigheden volgen.

De leerkracht kan:

  • 3.1.1 zijn eigen deskundigheid op inhoudelijk terrein bevorderen;
  • 3.1.2 in het Frans voor de vaardigheden lezen en schrijven functioneren op een sterk B1-niveau (B1+) en voor de vaardigheden luisteren en spreken op B2-niveau.

De ondersteunende kennis omvat de inhoudelijke opbouw en samenhang binnen en tussen de diverse leergebieden en de leergebiedoverschrijdende thema’s en de mogelijkheden tot permanente vorming.

De ondersteuning omvat voor Frans het gebruik maken van de ondersteunende strategieën en van de ondersteunende kennis van de linguïstische elementen (woordenschat, grammatica, uitspraak, spelling en sociale en pragmatische taalgebruiksdimensie), telkens op een sterk B1-niveau voor lezen en schrijven en op een B2-niveau voor luisteren en spreken.

 

Vaardigheid 3.2 De leerkracht kan de verworven kennis en vaardigheid met betrekking tot leergebieden en vakgebieden aanwenden.

De leerkracht kan:

  • 3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden in de pedagogisch-didactische aanpak.

De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden en structuren, en methodes van het leergebied.

 

Vaardigheid 3.3 De leerkracht kan het eigen aanbod situeren in het geheel van het onderwijsaanbod met het oog op de begeleiding en oriëntering van de leerlingen.

De leerkracht kan:

  • 3.3.1 in het onderwijsaanbod horizontale en verticale verbanden onderkennen en die verbanden integreren in het eigen aanbod;
  • 3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen en binnen een leerplan.

De ondersteunende kennis omvat leerlijnen in het leerplan en schoolwerkplan in kwestie en in leerboeken, verwantschappen tussen leer- en vormingsgebieden; de ondersteunende kennis omvat tevens de verticale samenhang tussen kleuteronderwijs, lager onderwijs en de eerste graad secundair onderwijs en de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon onderwijs.

 

 

Functioneel geheel 4: De leraar als organisator

Vaardigheid 4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.

De leerkracht kan:

  • 4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.

De ondersteunende kennis omvat klasmanagement en leerbevorderende en -belemmerende factoren.

 

Vaardigheid 4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, dat past in een korte- en langetermijnplanning.

De leerkracht kan:

  • 4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
  • 4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
  • 4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.

De ondersteunende kennis omvat de diverse aspecten van kindaangepast tijdsmanagement en voor de leerkracht relevante planningmethoden op korte en langere termijn.

 

Vaardigheid 4.3 De leerkracht kan op correcte wijze administratieve taken uitvoeren.

De leerkracht kan:

  • 4.3.1 op correcte wijze een aantal administratieve taken uitvoeren die behoren tot zijn takenpakket.

De ondersteunende kennis omvat de administratieve verplichtingen van de leerkracht, inclusief het doel ervan.

 

Vaardigheid 4.4 De leerkracht kan een stimulerende en werkbare klasruimte creëren, rekening houdend met de veiligheid van de leerlingen.

De leerkracht kan:

  • 4.4.1 uitdagende en veilige speel-, leer- en werkvoorzieningen inrichten in een lokaal;
  • 4.4.2 een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten.

De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van stimulerende en veilige speel- of leervoorzieningen in een lokaal.

 

 

Functioneel geheel 5: De leraar als innovator en onderzoeker

Vaardigheid 5.1 De leerkracht kan vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.

De leerkracht kan:

  • 5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
  • 5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich in de samenleving aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.

De ondersteunende kennis omvat kenmerken van de schoolcultuur en relevante informatiebronnen met betrekking tot ontwikkelingen over onderwijs en samenleving, waaronder beleidsinitiatieven inzake onderwijs.

 

Vaardigheid 5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.

De ondersteunende kennis omvat relevante en toegankelijke informatiebronnen van onderwijsonderzoek.

 

Vaardigheid 5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen.

De leerkracht kan:

  • 5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren.

De ondersteunende kennis omvat vormen van reflectie op het eigen handelen en functioneren in de klas en op school en de kenmerken van een eenvoudig praktijkgericht onderzoek.

 

 

Functioneel geheel 6: De leraar als partner van ouders/verzorgers kan

Vaardigheid 6.1 De leerkracht kan zich informeren over en discreet omgaan met gegevens over de leerling.

De ondersteunende kennis omvat elementen van deontologie in verband met gegevens over kinderen.

 

Vaardigheid 6.2 De leerkracht kan met ouders of verzorgers communiceren over het kind in de school op basis van overleg met collega’s of externen.

De leerkracht kan:

  • 6.2.1 met de hulp van collega’s informatie verstrekken over leervorderingen, gedrag- en houdingsaspecten en studiekeuze;
  • 6.2.2 met de hulp van collega’s of externe deskundigen in gesprek treden met de ouders of verzorgers over de ondersteuning thuis;
  • 6.2.3 in overleg met het multidisciplinaire team, de ouders of verzorgers in contact brengen met hulpverleners.

De ondersteunende kennis omvat agogische inzichten met betrekking tot de communicatie tussen school en ouders, en kennis van beschikbare hulpverleningsinstanties en -personen.

 

Vaardigheid 6.3 De leerkracht kan in overleg met het team, de ouders of verzorgers informeren over en betrekken bij het klas- en schoolgebeuren, rekening houdend met de diversiteit van de ouders.

De ondersteunende kennis omvat kennis van de diversiteit van sociale en culturele realiteiten van ouders of verzorgers en communicatietechnieken.

 

Vaardigheid 6.4 De leerkracht kan met ouders of verzorgers een gesprek voeren over opvoeding en onderwijs.

De ondersteunende kennis omvat referentiekaders om onderwijskundige thema’s en ontwikkelingen te duiden.

 

Vaardigheid 6.5 De leerkracht kan in Standaardnederlands of naargelang van de context in een ander passend register, adequaat in interactie treden met ouders en verzorgers.

De leerkracht kan:

  • 6.5.1 doelgericht verschillende soorten gesprekken voeren afhankelijk van de klas- en schoolcontext;
  • 6.5.2 een korte, heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruikmaken van ondersteuning in schrift en beeld;
  • 6.5.3 doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van de klas- en schoolcontext.

De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele situaties.

 

Vaardigheid 6.6 De leerkracht kan strategieën ontwikkelen om te communiceren met anderstalige ouders.

De ondersteunende kennis omvat de mogelijkheden die de communicatie met anderstalige ouders kunnen vergemakkelijken.

 

 

Functioneel geheel 7: De leraar als lid van een schoolteam kan

Vaardigheid 7.1 De leerkracht kan overleggen en samenwerken binnen het schoolteam.

De leerkracht kan:

  • 7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van het schoolteam en rekening houdend met de schoolcultuur;
  • 7.1.2 participeren in overleg over het schoolbeleid.

De ondersteunende kennis omvat vormen van samenwerkingsverbanden binnen de school, decretale participatiestructuren, overlegorganen en hun bevoegdheden en kenmerken van schoolcultuur. Ondersteunende kennis omvat eveneens relevante aspecten over schoolbeleid, de functies van het schoolwerkplan, de aanwending van het lesurenpakket en soorten leiderschapsstijlen.

 

Vaardigheid 7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen en de afspraken naleven.

De ondersteunende kennis omvat kennis van de functies en taken binnen een school.

 

Vaardigheid 7.3 De leerkracht kan de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in het team bespreekbaar maken.

De leerkracht kan:

  • 7.3.1 in dialoog met collega’s en de schoolleiding reflecteren over het eigen pedagogisch en didactisch handelen;
  • 7.3.2 feedback integreren in het eigen handelen.

De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van schoolinterne coaching en reflecterend leren.

 

Vaardigheid 7.4 De leerkracht kan zich documenteren over de eigen rechtspositie en die van de leerlingen.

De leerkracht kan:

  • 7.4.1 relevante en actuele informatie over juridische en administratieve aspecten van het leraarschap raadplegen;
  • 7.4.2 zich informeren over de rechten van de leerling en daaruit conclusies trekken voor de evaluatie en advisering.

De ondersteunende kennis omvat basisregelgeving en instanties of bronnen die toegang geven tot geselecteerde en goed toegankelijke juridische kennis rond de rechten van het kind en van ouders of verzorgers.

 

Vaardigheid 7.5 De leerkracht kan in Standaardnederlands adequaat in interactie treden met alle leden van het schoolteam.

De leerkracht kan:

  • 7.5.1 doelgericht verschillende soorten gesprekken voeren afhankelijk van de klas- en schoolcontext;
  • 7.5.2 een korte, heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruikmaken van ondersteuning in schrift en beeld;
  • 7.5.3 doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van de klas- en schoolcontext.

De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele situaties.

 

 

Functioneel geheel 8: De leraar als partner van externen

Vaardigheid 8.1 De leerkracht kan met hulp van collega’s contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.

De leerkracht kan:

  • 8.1.1 met de hulp van collega’s contacten leggen, communiceren en samenwerken met onderwijsbetrokken initiatieven die gericht zijn op kinderen en jongeren;
  • 8.1.2 met de hulp van collega’s contacten leggen, communiceren en samenwerken met onderwijsbetrokken initiatieven die gericht zijn op leerkracht- en teamondersteuning.

De ondersteunende kennis omvat zoekmethoden om initiatieven of instanties op te sporen die actief zijn in een betrokken regio.

 

Vaardigheid 8.2 De leerkracht kan in Standaardnederlands adequaat in interactie treden met medewerkers van onderwijsbetrokken initiatieven.

De leerkracht kan:

  • 8.2.1 doelgericht verschillende soorten gesprekken voeren afhankelijk van de klas- en schoolcontext;
  • 8.2.2 een korte heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruikmaken van ondersteuning in schrift en beeld;
  • 8.2.3 doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van de klas- en schoolcontext.

De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele situaties.

 

 

Functioneel geheel 9: De leraar als lid van de onderwijsgemeenschap kan

Vaardigheid 9.1 De leerkracht kan deelnemen aan het maatschappelijke debat over onderwijskundige thema’s.

De ondersteunende kennis omvat recente ontwikkelingen in onderwijs en referentiekaders om ontwikkelingen in onderwijs te duiden.

 

Vaardigheid 9.2 De leerkracht kan dialogeren over zijn beroep en zijn plaats in de samenleving.

De ondersteunende kennis betreft referentiekaders om het lerarenberoep maatschappelijk te kunnen situeren, de eigen basiscompetenties en het eigen beroepsprofiel.

Functioneel geheel 10: De leraar als cultuurparticipant kan

Vaardigheid 10.1 De leerkracht kan actuele maatschappelijke thema’s en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen op de volgende domeinen:

  • het sociaal-politieke domein;
  • het sociaal-economische domein;
  • het levensbeschouwelijke domein;
  • het cultureel-esthetische domein;
  • het cultureel-wetenschappelijke domein.

De leerkracht kan:

  • 10.1.1 werken aan een interpretatiekader om kritisch om te gaan met informatie over die thema’s en ontwikkelingen, en erover dialogeren.

De ondersteunende kennis omvat relevante informatiebronnen.


Attitudes

 

Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.

  •  A1 beslissingsvermogen: durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
  •  A2 relationele gerichtheid: in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen.
  •  A3 kritische ingesteldheid: bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
  •  A4 leergierigheid: actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.
  •  A5 organisatievermogen: erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
  •  A6 zin voor samenwerking: bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
  •  A7 verantwoordelijkheidszin: zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
  •  A8 flexibiliteit: bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen, doelen, mensen en procedures.

  1. Dat is de reden waarom er in het schema een stippellijn staat tussen de verantwoordelijkheidsdomeinen.

License

Hoofdstuk 6: Beroepsprofiel en basiscompetenties Copyright © 2013 by Tim Boon. All Rights Reserved.

Feedback/Errata

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *